Iris Sarens – Palestina – Israël
“Oxfam Solidariteit”, een nationaal, tweetalige organisatie, strijdt voor solidariteit en gelijkheid tussen volkeren. Hiervoor maken ze gebruik van campagnes. De belangrijkste campagne op dit moment is Palestina – Israël. Dat is het thema in de kijker van deze maand. Iris Sarens, educatief medewerkster van Oxfam vertelt ons waar dat idee vandaan komt.
Zoals de meeste mensen al weten worden de Palestijnse gebieden bezet door Israël. Dat duurt al meer dan 40 jaar. En als resultaat heeft dat eigenlijk dat er economische problemen ontstaan voor Palestina. De Israëlieten hebben superveel grensposten ingelast om een muur waar de Palestijnen niet door kunnen. Dus hun oogsten die zij al met heel veel moeite opdringen worden tegengehouden aan die grensposten waardoor er geen export meer mogelijk is vanuit de Palestijnse bezette gebieden.
Hoe gaan jullie concreet dat probleem op te lossen?
Wij proberen om toch met een aantal partners in Palestijnse gebieden contacten te onderhouden. Wij kiezen voor een duurzaam partnerschap met onze Palestijnse partnerorganisaties omdat wij geloven dat een stabiele handelsrelatie de motor kan zijn voor de heropleving van de Palestijnse samenleving.
Welke zijn deze partners waarmee u samenwerkt?
Wij hebben 3 partners: PARC: Palestinian Agricultural Relief Committees, UAWC: Union of Agricultural Work Committees en Siniana of Galilea. Siniana is een Israëlitische partner, maar zij bepalen een gelijkheid van Palestijnen en Israëlieten in hun organisatie.
Hoe groot is jullie rol in deze problematiek tegenover de andere partners?
Erg groot kan een rol van een buitenlandse organisatie niet zijn, omdat de problematiek van binnenuit wordt gevoerd, maar wij proberen wel zo veel mogelijk handelswaren een exportmogelijkheid te geven. Maar omdat er zo weinig mogelijkheid is om handelswaren te pakken te krijgen doen wij enkel wat we kunnen.
Wat zijn die mogelijkheden? Hoe zorgen jullie ervoor dat die export in orde komt?
Daar kunnen wij ook niet voor zorgen, maar hetgeen we wel doen is een vertrouwen geven in onze Palestijnse partners. Andere bedrijven met een winstbejag gaan er niet mee om kunnen dat ze veel te lang moeten wachten op bv hun couscous, die aan een grenspost staat te rotten in de zon. Oxfam daarentegen zegt: “dat maakt voor ons niet zoveel uit of wij nu een halfjaar moeten wachten of niet. Wij blijven onze organisatie wel met jullie verbonden houden.”
Zijn er geldacties verbonden aan deze campagne?
Neen, er is een verschil tussen “Oxfam Solidariteit” en “Oxfam Wereldwinkel”. De geldactie is dan eigenlijk dat wij ervoor zorgen dat Palestina een handelspartner is. Waardoor dat ze wel op een eerlijke manier dan geld kunnen verdienen, maar dat is geen solidariteit. Giften geven wij niet.
Hoelang denkt u dat deze problematiek nog gaat aanslepen of is er al sprake van een oplossing?
Daar ga ik me niet over uitspreken, dat is meer een politieke kwestie. Ik hoop natuurlijk dat er een oplossing in het verschiet ligt, maar of dat zo is, weet ik niet.
14 oktober 2007
Koen ’T Sijen – Verlaging schuldenlast
Alsmaar meer mensen kunnen hun schulden niet meer betalen. Vorig jaar telde de Kredietcentrale 337.755 wanbetalers die samen voor 1,76 miljard euro schulden hadden openstaan. De helft van dat bedrag is te wijten aan kredietopeningen, waarvan drie kwart niet-bancaire kredieten zijn, kredietkaarten van bijvoorbeeld warenhuizen en postorderbedrijven.
De links-liberale partij Spirit wil dit probleem aanpakken. Daarom is er onder andere een 20-puntenplan uitgewerkt door Spirit-kamerfractieleider Koen ’T Sijen. We overlopen met hem de belangrijkste punten.
Meneer ’T Sijen, in uw 20-puntenplan pleit u om de niet-bancaire kredieten te verbieden. Waarom zijn deze kredieten een groter gevaar voor de consument dan kredieten van een bankinstelling?
In de eerste plaats zijn kredietopeningen bijzonder duur. De intresten die daarvoor moeten worden betaald, liggen hoog, die lopen op tot 17%. Als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld op een zichtrekening even onder nul gaan of een lening op afbetaling bij de bank aangaan, zijn niet-bancaire kredieten veel minder goedkoop. Ten tweede hebben kredietopeningen geen doelstelling, de klanten blijven eigenlijk enkel op krediet leven. Als men een bepaald krediet heeft afbetaald, een som die men heeft opgenomen, kan men die onmiddellijk terug opnemen. En in de aflossing zijn er geen regels. Men lost af wat men eigenlijk kan en in veel gevallen zal de consument alleen maar interest aflossen en geen kapitaal.
Achter de warenhuizen zitten toch ook banken die deze kredieten regelen?
Dat zijn geen banken, dat zijn kredietverstrekkers zoals bv: Cofidis. De grootwarenhuizen treden idd op als een tussenpersoon en ze zijn ook wel onderworpen aan de wet op het consumentenkrediet. Maar de regels van zo’n kredietopening zijn veel vrijer.
Beseffen de klanten niet dat ze bij warenhuizen een hoger kredietpercentage moeten betalen dan bij een gewone bankinstelling?
Nee, er zijn een aantal gevaren mee verbonden. Zo’n kredieten biedt men natuurlijk aan met heel wat promotieacties en men krijgt als klant het gevoel dat je een goede zaak doet. Ik ben ook undercover geweest in een aantal winkels, o.a. in Carrefour en Krëfel. Daar zegt men dat het via hen goedkoper is dan bij banken, omdat er zogezegd geen dossierkosten zijn. Dat klopt, maar er is wel die hogere intrest. De klant als dusdanig krijgt het gevoel dat hij een goede zaak doet, maar hij beseft niet dat als hij gewoon een verkoop of een lening aangaat op afbetaling bij de bank, hij veel goedkoper af is. Grotenwarenhuizen gebruiken die kredieten in eerste instantie om klanten aan zich te binden en zij malen er niet om dat er niet wordt afbetaald, want het zijn de kredietinstellingen achter de warenhuizen die de zaak moeten regelen. Zij zullen wel een deurwaarder sturen om de verschuldigde bedragen te gaan innen.
Ook zegt u dat het beleid hieromtrent te versnipperd is en daarom streeft u naar één centraal registratiesysteem. Wat gaat dit systeem dan concreet inhouden en in hoeverre gaat dit tot een beter resultaat leiden?
Wel, als we overmatige schuldenlast op een efficiënte manier willen bestrijden, dan moeten we ook zien van: hoe wordt die schuldenlast gevormd, van waar komt die, zijn dat energieschulden, zijn dat louter financiele schulden, huurschulden en dergelijke meer. We moeten ook trachten een beleid uit te stippelen dat daar echt kan op ingrijpen. We stellen vast dat er zowel in Wallonië, Brussel als in Vlaanderen op verschillende manieren wordt omgegaan met overmatige schuldenlasten en op verschillende manieren wordt geregistreerd. We hebben daar geen eenduidige cijfers rond. Zodanig dat het ook heel moeilijk is om er een eenduidig beleid rond te maken.
Staat Vlaanderen achter tegenover Brussel en Wallonië in het beleid omtrent schuldenlast?
Vlaanderen staat niet echt achter. Maar het is wel zo dat Wallonië en Brussel veel meer middelen steekt in schuldbemiddelingsdiensten en deze ondersteunt. Onze OCMW’s in Vlaanderen krijgen geen rechtstreekse subsidie van de Vlaamse overheid om aan schuldbemiddeling te doen. Ze krijgen wel een kleine subsidie voor het gas- en elektriciteitsfonds. Maar dat is onvoldoende. De schuldbemiddeling die op dit moment gebeurt vanuit de OCMW’s en vanuit de CAW’s (centrum algemeen welzijnswerk), is niet genoeg omdat de schuldbemiddelingsdiensten onderbemand zijn. Bovendien heeft Vlaanderen nog geen enkel systeem rond sociale kredieten. In Wallonië is dat volledig ontwikkelt, dat wil zeggen dat je een krediet aan een zeer lage intrest kan verstrekken aan een aantal mensen.
Hebben ze in Wallonië het probleem eerder opgemerkt omtrent schuldenlast?
Ik denk dat ze er harder mee geconfronteerd worden. Er is daar meer armoede. Wallonië heeft gewoon sneller op de bal gespeeld en een sociaal beleid ontwikkelt. Je moet begrijpen dat er verschillende soorten schulden zijn, overlevingsschuld is daar een van en wil zeggen dat men schulden gaat maken om hoogstnoodzakelijke middelen aan te kopen zoals voeding en kleding. Natuurlijk als zo’n systeem van kredietopeningen vrij spel krijgt op de markt dan detecteer je dat ook niet. Want op het moment dat je geen lening niet meer krijgt bij de banken omdat je geregistreerd bent in de kredietcentrale of omdat je de drempel van het OCMW niet wil overstijgen, ga je in een supermarkt zo’n kredietopening aan, die je redelijk vlot krijgt en niemand weet van iets. Maar de schuldenberg is dan wel aan het toenemen.
U wil dat er iets gedaan wordt aan die toenemende armoede. Daarom wil u de minimumuitkeringen verhogen. Zijn de nodige middelen daarvoor beschikbaar en is daarmee de oorzaak opgelost?
Ik denk dat we de nodige middelen beschikbaar moeten maken. Dat is natuurlijk heel makkelijk gezegd, maar het is zo dat je nu ook een aantal middelen hebt die in sociaal beleid worden geïnvesteerd, maar niet goed genoeg. Als ik bijvoorbeeld spreek over het verhogen van het leefloon, dan is dat vooral omdat het leefloon al schommelt en onder de armoederisicogrens zit van ongeveer, voor een alleenstaande, 770 euro per maand. De OCMW’s geven verschillende toemaatjes, ze geven subsidies voor nutsvoorzieningen zoals: water, elektriciteit en gas. Zij voorzien bijvoorbeeld ook gratis huisvuilzakken. De federale overheid heeft de laatste jaren eigenlijk hetzelfde soort beleid gevoerd. Zij geven stookoliecheques omdat de stookolieprijs omhoog gaat, zij geven een schoolpremie, enzovoort. Dat zijn zaken die op heel korte termijn gebeuren, ik heb liever dat we al die cheques en premies afschaffen of vereenvoudigen en substantieel het leefloon verhogen zodanig dat de mensen ook over een inkomen beschikken dat menswaardig is en boven de armoederisicogrens uitsteekt. Zodat ze ook op hun eigen manier hun leven kunnen organiseren en niet voor elk stuk dat ze nodig hebben in hun leven iets krijgen. Al is het om te huren, voor verwarming of afval te recycleren. Dat is cadeaupolitiek en erg paternalistisch. En dus pleit ik inderdaad voor een verhoging van het leefloon.
Zijn het dan vooral de arme mensen die kredieten aangaan omdat ze een aankoop niet in één keer kunnen betalen?
Ja en nee, we zien een verschuiving, wat betreft die overlevingsschuld. Het zijn inderdaad vooral nog arme mensen die kredieten aangaan, maar dat is al een stuk terug aan het afnemen, omdat zij voor het eerst geconfronteerd worden met die schuldenlast, komen zij bij het OCMW terecht, krijgen ze budgetbegeleiding of budgetbeheer, enzovoort. We zien nu ook een onderscheiding in de middengroep, de mensen die werken en de mensen aan de onderkant van die middengroep die meer en meer op krediet kopen. Je kan perfect in het systeem van de kredietopeningen iop 1 dag tijd 5 keer 1000 euro op krediet gaan bij een elektrowinkel, een speelgoedwinkel, supermarkt, enzovoort. En voor je het weet heb je meer krediet openstaan dan je maandelijks netto verdient.
Daarom wil u de niet-bancaire kredieten afschaffen?
Ja.
Wat vindt u van het voorstel van Open VLD om een keurmerk in te lassen voor alle vormen van consumentenkrediet i.p.v. ze te verbieden?
Dat is natuurlijk typisch liberaal. Zij leggen heel veel verantwoordelijkheid bij de consument. Ze vinden dat de consument zelf maar moet weten wat hij doet. Terwijl ik er juist van uitga dat je tegenover bepaalde praktijken die er zijn de consument moet durven beschermen. Ik treed niet betuttelend op voor de consument, maar als die kredieten bestaan, moeten we ze ook heel streng reglementeren zodanig dat de consumenten er geen slachtoffer van worden. Als we de kredieten niet afschaffen dan zouden we minstens de intrestpercentages omlaag moeten krijgen. Ik stel voor van 14% tot 12%. Omdat je dan op het niveau zit van andere kredietopeningen, bijvoorbeeld via de banken. Niet-bancaire kredietopeningen zijn maar een heel klein segment van het aanbod aan kredietenopeningen en van de vormen van kredieten die je kan opnemen. Ik ben niet tegen kredieten als dusdanig, maar ik ben voor een goede reglementering rond kredieten zodat de mensen er geen slachtoffer van worden. Een keurmerk geven zal volgens mij nog altijd slachtoffers blijven maken. Ik denk dat het aanlokkelijk blijft om in zo’n krediet te stappen vooraleer de mensen weten of ze een keurmerk hebben of niet. De VLD mikt op de hoger opgeleiden die zo’n keurmerk herkennen en die weten wat dat betekent. Maar de grote groep mensen hebben daar geen boodschap aan.
18 april 2007