Interviews door Joris Luyckx


Daniella Somers – Terugblik bokscarrière

Geplaatst in Sport door luyckxjoris op de 22 mei 2008

Daniella Somers komt pas op haar 20ste in contact met het thai-boksen. Maar ze wint al gauw 2 wereldtitels. Daarna gaat ze over op gewoon boksen en wordt ze wederom wereldkampioen. Wanneer ze ermee stopt, steekt ze al haar energie in haar eigen boksclub. Daniella is een sterke en gedreven vrouw, die gepassioneerd met haar sport bezig is en haar drukke leventje goed weet te relativeren.

 

De bokssport is een grote passie van u, hoe moeilijk was het om een tijdje terug te stoppen met competitief boksen, hetgeen toch je leven was?

Dat was eigenlijk niet zo heel moeilijk. Aan alle dingen in het leven is er een begin en een einde. Je leeft daar ook stilletjes naartoe. Ik had ook al een iets gevorderde leeftijd en was moeder. Op een gegeven moment komen er andere prioriteiten in het leven. Het is gewoon de realiteit: je kan er niet heel je leven mee doorgaan.

 

Ervoer u dan geen grote leegte nadat u stopte?

Nee, absoluut niet. Ik heb hier al jaar en dag een eigen thaiboks-club. Ik kan mij focussen op de jongeren hier. Ik ben dus helemaal niet in een zwart gat gevallen.

 

U hebt nu wel meer tijd voor uw gezin, hebt u het gevoel dat u nog veel hebt moeten inhalen met uw gezin?

Nee, want veel tijd voor mijn gezin heb ik nog steeds niet. Ik heb het altijd heel druk. Ik doe het management, promotie, lesgeven, … Ik ben fulltime bezig en daar komt ook nog een hoop tv-werk bij.

 

Vindt u dat niet een beetje jammer dat u zo weinig tijd hebt voor uw gezin?

Ja, natuurlijk, ik vind dat heel jammer. Maar je hebt in het leven niet altijd de keuze en dat is een fase in mijn leven waar ik inzit en waar ik door moet. De vrije tijd die ik kan vrijmaken voor mijn gezin benut ik zeker. Dat komt voor mijn nog altijd op de eerste plaats. Maar het is niet altijd makkelijk te combineren.

 

U geeft nu les in uw eigen boksclub, The Bulldogs, herkent u zichzelf in de jongeren waaraan u les geeft?

In sommige wel, ja.

 

Dat geeft u waarschijnlijk veel voldoening, met die jongeren bezig zijn?

Dat geeft een enorme voldoening. De mensen waarin je je Latijn en je tijd insteekt en daar iets zinnigs mee doen. Niet al die mensen gaan grote talenten worden, maar voor mij is het al voldoende als ze zich amuseren, iets bijleren en goed bezig zijn.

 

Als u zo continu bezig bent met bokstrainingen geven en in de bokswereld te fungeren, is de verleiding er dan nooit dat u terug in de ring wil stappen?

Heel soms is die verleiding er, maar als je dan een paar dagen heel hard traint en ’s morgens opstaat en het voelt alsof je onder een trein hebt gelegen, weet je terug waarom je gestopt bent. Het heeft veel te maken met ouder worden en slijtage op je lichaam, een kapotte neus of schouder. Eventjes gaat dat goed, maar als je 3, 4 dagen hard traint dan weet je het weer waarom je gestopt bent.

 

U hebt tijdens uw carrière moeten opboksen tegen vrouwendiscriminatie. Hoe ging u daarmee om? Was dat niet frustrerend om daar altijd tegen te vechten?

Natuurlijk, enerzijds heb ik een groter gevecht gevoerd buiten de ring dan in de ring. Maar anderzijds is het allemaal in orde gekomen en geeft dat ook wel een grote voldoening. Ik moet wel zeggen dat het enorm frustrerend is: ik werd wereldkampioen in Las Vegas, het grootste boks-mekka ter wereld en dan zegt de kleine Belgische boksverantwoordelijke: “ah, maar voor ons telt dat niet, want bij ons mogen vrouwen niet boksen”.

 

Had u dan nog genoeg fut om er steeds voor te gaan als u steeds discriminerende reacties kreeg?

Je hebt gewoon een vrouwenwereldje naast dat mannenwereldje. Als je bokst in het boks-mekka, dan lig je daar niet meer zo wakker van dat ze in België kleinzielig doen. Uiteindelijk heb ik dat gevecht tegen discriminatie gewonnen en heb ik heel vaak in België gevochten en dat was natuurlijk heel leuk om voor uw eigen publiek te staan.

 

U hebt zich ook in het verleden geout als holebi. Hoe ging u daarmee om in een bokswereld en eigenlijk ook wel een machowereld?

Dat is eigenlijk pas later begonnen. Ik ben later in die relatie geraakt. Het zou mij niet gestoord hebben moest ik nog boksen. Ik ben wie ik ben en ik kom daarmee naar buiten. Wie daar een probleem mee heeft, heeft een probleem. Zolang ik er geen heb, heb ik geen probleem. Dat zou mij zeker niet tegengehouden hebben.

 

21 april 2008 

Edith Van Giel – Frustraties bij Free Clinic

Geplaatst in Maatschappij door luyckxjoris op de 22 mei 2008

Drugsverslaafden die hulp zoeken, moeten daar soms lang op wachten of krijgen helemaal niet de hulp die ze nodig hebben. Dat komt mede door het starre systeem van opvangcentra zoals free-clinic. Edith Van Giel functioneerde daar als onthaalmedewerkster en vertelt hoe ze omwille van haar frustraties en onmacht is gestopt.

 

Als er zo een totaal ontredderde drugsverslaafde zich kwam aanbieden, in hoeverre raakte dat jou?

Ja, heel erg natuurlijk, want je kent de doelgroep na een tijdje, en dat zijn bijna allemaal heel sympathieke en vriendelijke mensen. Dat beeld dat men heeft van een drugsverslaafde die iedereen gaat overvallen voor geld voor zijn drugs, dat klopt dus absoluut niet. Het zijn eigenlijk eerder gewoon zieke mensen.

 

Wat ging er dan juist door je heen als zo iemand zich kwam aanbieden?

Dan ben je eigenlijk heel ontmoedigd, want je zit in een systeem. Zelf als persoon kan je geen hulp bieden, dat moet van free-clinic uitgaan of van een dokter die pillen of Metadon voorschrijft. Het enige dat je kan doen is, als ze ergens passen in een hulpverlening, zien of er ergens plaats is, zoals bij “de Sleutel”. Maar dan zit je met die frustratie dat er nergens plaats is, dat ze nergens terecht kunnen. Dat je onmiddellijke opvang moet geven en die is er gewoon niet.

 

Bood je soms zelf hulp?

In het begin van free-clinic konden wij dat doen, want free-clinic is eigenlijk bedoeld voor de hopeloze gevallen. In het begin kon je die mensen echt helpen, die kwamen binnen, die gingen bij de dokter, die kregen metadon als ze in het plaatje pasten om metadon te krijgen. Maar na een tijd is dat allemaal geïnstitutionaliseerd.

 

Buiten dat, heb je ooit persoonlijk contact gehad met een verslaafde, die je na een tijd beter hebt leren kennen?

Ja, en dat is gevaarlijk. Want in het begin leer je bij de cursussen: “je mag geen persoonlijke relatie aangaan”, … maar dat gebeurt automatisch en dat mag niet. Er wordt echt op gehamerd, dus je krijgt in het begin een klaarstomingscursus van een 10-tal sessies voor je mag beginnen. Bij iedere sessie door iedere lesgever wordt er op gehamerd: geen persoonlijke relatie, geen dit, geen dat.

 

Maar met die ene persoonlijke relatie, hoe ging je daar dan mee om?

Ja, dan probeer je die toch te helpen. Je probeert toch een opvang te vinden.

 

Je medeleven was dan erg groot?

Ja, daar leef je enorm mee mee. Je weet goed dat het voor iets anders is en toch help je die verder en daar moet je eigenlijk kei hard in zijn, maar dat kan je niet.

 

Hoe ga je daar dan mee om, om dat toch van je af te zetten? Of lukt dat totaal niet?

Om dat van je af te zetten … ja, eigenlijk kan je dat niet. Want je krijgt die mensen iedere week of twee keer per week terug te zien. En die verontschuldigen zich en die, … Dat zijn echt ongelooflijk sympathieke mensen. Je bent er dus niet kwaad op. Die beschouwen je echt als een moederfiguur. Want dat is ook een van mijn grote frustraties in die hulpverlening, dat ze niet de mensen helpen waarvan jij vindt die geholpen moeten worden. Maar ze helpen diegene die het best passen in hun statistiek. Dat klopt dus niet. Dat zijn verhalen die ze uitvinden om te passen in dat plaatje en dat is enorm frustrerend, dat is eigenlijk de grootste frustratie. 

 

Was dat de reden waarom je gestopt bent bij free-clinic te werken?

Ja, dat waren eigenlijk verschillende factoren. Gedeeltelijk die frustratie, gedeeltelijk ook omdat we met een inlooplokaal op vrijwillige basis zijn begonnen en tegelijkertijd is er een soort paleisrevolutie in free-clinic geweest. Heel de top werd vervangen en toen zijn er heel veel mensen weggegaan. En dat kwam bij mij zo allemaal samen toen en dan ben ik er mee gestopt. Maar je blijft die mensen nog zien en tegenkomen in de stad. Hun verhaal blijft. Je laat dat echt niet los. Zoveel sukkelaars die je ziet in de grootstad, er zijn zoveel sukkelaars. Van alle systemen wordt geprofiteerd gewoon omdat die mensen geen andere mogelijkheden hebben. Het systeem vraagt erom. En dat je die drugsverslaafden niet kan helpen op het moment dat ze het nodig hebben, dat is verschrikkelijk frustrerend.

 

25 februari 2008

inspecteur Klerens – Vermoorde politievrouw

Geplaatst in Criminaliteit door luyckxjoris op de 22 mei 2008

In Lot, een deelgemeente van Beersel, werd een jonge agente om het leven gebracht bij een confrontatie met dieven. Haar collega werd getroffen in de buik. De jonge agente was 21 jaar en nog maar pas afgestudeerd als politievrouw. Beide agenten hadden geen schijn van kans, ze werden beschoten toen ze in hun voertuig zaten. Maar was het drama in Lot te vermijden? Ik vroeg het aan inspecteur Klerens van politiezone Minos.

                             

Realistisch gezien, denk ik niet dat het te vermijden was. Als je er komt aangereden en die mannen komen toevallig op dezelfde moment buiten, daar is niets aan te doen. Je zit in je voertuig en je kan niks anders doen dan op dat moment incasseren. In mijn ogen is deze specifieke situatie echt dom toeval, pech gehad voor die collega’s.

 

Als u een melding krijgt van een diefstal die aan de gang is, is het dan niet logischer dat er meer mensen op worden afgestuurd?

Al waren er 2 of 3 ploegen geweest. Als je onder vuur wordt genomen door een machinegeweer en oorlogsmunitie dan heb je weinig verhaal. Dat is eenmaal zo. Zeker als je in je hoofd wordt getroffen, dat is brute pech. Heel jammer, maar weinig aan te veranderen.

 

Het ging hier over een jonge agente, pas afgestudeerd. Komt het meestal voor dat jonge agenten nachtdienst hebben of was het toeval?

Ik moet eerlijk zeggen, bij ons in het korps wordt dat normaal gezien verdeeld. Het is wel zo dat een aantal oudere collega’s liever geen nachten meer doen. En dan ook vragen aan andere collega’s om die nachten over te nemen en over het algemeen wordt dat dan wel geregeld. Maar specifiek binnen interventies sowieso zijn er voornamelijk jonge collega’s. Oudere collega’s gaan proberen om eerder naar het onthaal te gaan of naar de wijk te gaan waar er dus veel minder nachten zijn.

 

Hebben jonge inspecteurs eigenlijk wel genoeg ervaring om ’s nachts interventies te gaan doen?

Ik spreek nu voor mezelf, ik ben zelf nog maar anderhalf jaar afgestudeerd. Ik weet niet of je ooit genoeg ervaring hebt, zeker niet voor een situatie zoals in Lot. Zelfs al heb je tien jaar ervaring, als je onder vuur wordt genomen word je onder vuur genomen.

 

’s Nachts vinden toch de meest gevaarlijke toestanden plaats?

Ja, maar het voordeel ’s nachts is: als je op alarm rijdt, er veel minder verkeer is. Dus qua verkeersonveiligheid zit je dan weer beter. Terwijl als je overdag door het verkeer moet gaan rijden, het vaak veel gevaarlijker is op dat gebied. Zware criminaliteit doet zich voornamelijk ’s nachts voor, maar daar is weinig aan te veranderen zoals in Lot ook het geval was.

 

De neergeschoten politieagent, die getroffen werd in de buik droeg geen veiligheidsvest. Ligt het dan ook niet deels aan de beperkte middelen van de lokale politie?

Ja, dat is ten dele zo. Hoewel ik moet zeggen dat wij in onze zone allemaal een persoonlijke vest hebben gekregen. Ik draag die continu, er zijn collega’s die dat niet dragen omdat het ongemakkelijk zit of oncomfortabel.

 

Die zullen na deze feiten misschien wel meer hun vest dragen?

Tijdelijk zullen een aantal collega’s de vest gemakkelijker dragen. Anderzijds, het wapen is gebruikt met oorlogsmunitie. Ik denk qua bescherming, dat een vest niet genoeg was. Je kan met een tank gaan rondrijden, je kan je wagen zodanig pantseren dat er niets meer doorgeraakt, maar het is gewoon de bedoeling dat je je werk kan doen. Als wij oorlogsbestendige kledij moesten dragen, dan zouden we ons werk niet meer kunnen doen, denk ik.

 

16 december 2007

 

Leen Smets – Bloeddonors

Geplaatst in Wetenschap door luyckxjoris op de 22 mei 2008

Het Rode Kruis is sinds 1972 dagelijks op zoek naar bloedgevers, want elke dag zijn er mensen die bloed nodig hebben: bv: na een operatie, bevalling of verkeersongeval. Op 13 november werd in Leuven de miljoenste bloedgever in de bloemetjes gezet (Fabienne Van Mierlo, 19-jarige studente bio-ingenieur) waardoor het thema “bloed geven” weer even wat media-aandacht kreeg. Is een miljoenste bloeddonor veel na 35 jaar? Ik vroeg het aan Leen Smets, coördinator donorwerving van het Rode Kruis Vlaanderen.

 

Dat is zeker veel. Een miljoen is niet te onderschatten. We zijn nu al 35 jaar bezig, maar ik denk dat we nog naar veel meer moeten kunnen gaan.

 

Ik las althans in een interview met Carine Genoux, een collega van u, dat er veel mensen afhaken omwille van verstrengde richtlijnen. Wat houden deze richtlijnen in en waarom haken mensen daarop af?

Een belangrijke reden is de leeftijd. Als mensen 66 jaar worden, mogen ze de avond voor hun 66ste verjaardag de laatste keer bloed geven. Ben je ouder dan 18 jaar en jonger dan 66 jaar dan mag je bloed geven.

 

Wat is er dan mis met het bloed van een 66-plusser?

Daar is niets mis mee, maar dat zijn wettelijk opgelegde regels. Binnen Europa worden dezelfde richtlijnen gevolgd. Dus wij moeten ons daar aan houden. Wat nog een medische richtlijn kan zijn is bijvoorbeeld: je bent in een land geweest in een malariagebied, dan moet je ook een bepaalde tijd afhaken. Of je hebt een te hoog hemoglobinegehalte, dus je ijzergehalte in je bloed is te hoog of te laag.

 

Wordt dat dan allemaal getest als iemand zich komt aanbieden als donor?

Ja, als je je aanbiedt als donor moet je een medische vragenlijst invullen. Op die medische vragenlijst staan een aantal vragen die peilen naar je algemene gezondheidstoestand, dus: ben je gezond?, heb je medicatie nodig?, ben je naar de tandarts geweest?, …. Die vragen worden overlopen met de afnamearts en die arts beslist dan of je bloed mag geven op basis van de antwoorden op die vragen. Als je dan bloed hebt afgegeven, worden er 5 stalen afgenomen en die stalen worden dan gebruikt om testen op te doen. De belangrijkste testen om virussen op te sporen zijn: hiv, hepatitis B, hepatitis C en syfilis.

 

Een bloedafname, hoe verloopt dat exact?

Je brengt je identiteitskaart mee. Je schrijft je in. Je krijgt een vragenlijst die je moet invullen. Je gaat ermee naar een dokter. De dokter gaat ook je bloeddruk meten en je gewicht en lengte nagaan.

 

Waarvoor is dat belangrijk, gewicht en lengte?

Om te bepalen hoeveel bloed je mag geven. Iemand die kleiner is en magerder, mag minder bloed geven dan grotere en bredere. Dan ga je naar je afnamebed. Je arm wordt ontsmet en je krijgt een prik. De eerste paar milliliter van je bloed gaan naar een klein staalzakje dat aan je set hangt en de rest van je bloed gaat naar het effectieve afnamezakje. Het staalzakje wordt gebruikt om de 5 staaltjes uit te nemen.

 

Bovendien werken jullie alleen met vrijwillige bloedgevers. Wat is daar de reden van?

De garantie op veilig bloed. Een donor die vrijwillig komt bloed geven daar kunnen we meer vertrouwen in hebben dat hij eerlijk antwoord op de vragen, in alle aspecten eerlijk is en dat het dus veilig bloed is.

 

Het Rode Kruis is dus dagelijks op zoek naar mensen tussen 18 en 66 jaar, die na een grondige gezondheidscontrole, op vrijwillige basis bloed willen geven en zo andere mensen kunnen helpen.

 

25 november 2007

 

Iris Sarens – Palestina – Israël

Geplaatst in Politiek door luyckxjoris op de 22 mei 2008

“Oxfam  Solidariteit”, een nationaal, tweetalige organisatie, strijdt voor solidariteit en gelijkheid tussen volkeren. Hiervoor maken ze gebruik van campagnes. De belangrijkste campagne op dit moment is Palestina – Israël. Dat is het thema in de kijker van deze maand. Iris Sarens, educatief medewerkster van Oxfam vertelt ons waar dat idee vandaan komt.

Zoals de meeste mensen al weten worden de Palestijnse gebieden bezet door Israël. Dat duurt al meer dan 40 jaar. En als resultaat heeft dat eigenlijk dat er economische problemen ontstaan voor Palestina. De Israëlieten hebben superveel grensposten ingelast om een muur waar de Palestijnen niet door kunnen. Dus hun oogsten die zij al met heel veel moeite opdringen worden tegengehouden aan die grensposten waardoor er geen export meer mogelijk is vanuit de Palestijnse bezette gebieden.

 

Hoe gaan jullie concreet dat probleem op te lossen?

Wij proberen om toch met een aantal partners in Palestijnse gebieden contacten te onderhouden. Wij kiezen voor een duurzaam partnerschap met onze Palestijnse partnerorganisaties omdat wij geloven dat een stabiele handelsrelatie de motor kan zijn voor de heropleving van de Palestijnse samenleving.

 

Welke zijn deze partners waarmee u samenwerkt?

Wij hebben 3 partners: PARC: Palestinian Agricultural Relief Committees, UAWC: Union of Agricultural Work Committees en Siniana of Galilea. Siniana is een Israëlitische partner, maar zij bepalen een gelijkheid van Palestijnen en Israëlieten in hun organisatie.

 

Hoe groot is jullie rol in deze problematiek tegenover de andere partners?

Erg groot kan een rol van een buitenlandse organisatie niet zijn, omdat de problematiek van binnenuit wordt gevoerd, maar wij proberen wel zo veel mogelijk handelswaren een exportmogelijkheid te geven. Maar omdat er zo weinig mogelijkheid is om handelswaren te pakken te krijgen doen wij enkel wat we kunnen.

 

Wat zijn die mogelijkheden? Hoe zorgen jullie ervoor dat die export in orde komt?

Daar kunnen wij ook niet voor zorgen, maar hetgeen we wel doen is een vertrouwen geven in onze Palestijnse partners. Andere bedrijven met  een winstbejag gaan er niet mee om kunnen dat ze veel te lang moeten wachten op bv hun couscous, die aan een grenspost staat te rotten in de zon. Oxfam daarentegen zegt: “dat maakt voor ons niet zoveel uit of wij nu een halfjaar moeten wachten of niet. Wij blijven onze organisatie wel met jullie verbonden houden.”

 

Zijn er geldacties verbonden aan deze campagne?

Neen, er is een verschil tussen “Oxfam Solidariteit” en “Oxfam Wereldwinkel”. De geldactie is dan eigenlijk dat wij ervoor zorgen dat Palestina een handelspartner is. Waardoor dat ze wel op een eerlijke manier dan geld kunnen verdienen, maar dat is geen solidariteit. Giften geven wij niet.

 

Hoelang denkt u dat deze problematiek nog gaat aanslepen of is er al sprake van een oplossing?

Daar ga ik me niet over uitspreken, dat is meer een politieke kwestie. Ik hoop natuurlijk dat er een oplossing in het verschiet ligt, maar of dat zo is, weet ik niet.

 

14 oktober 2007

Thomas Verdyck – Poëzie

Geplaatst in Cultuur door luyckxjoris op de 21 april 2008

“‘t Gastvrij Podium” is een evenement dat elke maand doorgaat in het cultureel centrum van Wijnegem. Het is een avondlijke mix van poëzie en muziek gebracht door opkomend talent. Heel deze avond draait rond een centrale gast, meestal een zeer gerespecteerde dichter die reeds al vele teksten heeft gepubliceerd. Voor de maand november van 2007 was de centrale gast Thomas Verdijck, een jongeman, met bewonderenswaardig veel talent. Hij bracht gedichten over alles wat met liefdesvreugde en -verdriet te maken heeft.

Waarom is het thema liefde zo belangrijk voor u?

Liefde is voor iedereen belangrijk. Iedereen tracht zijn liefde op een of andere manier vorm te geven, sommigen stoppen ervoor met roken en anderen zetten hun gevoelens om in tekst.

 

Wanneer bent u met poëzie begonnen?

Daarop kan ik moeilijk een datum kleven. Ik heb een paar momenten waarop je zou kunnen zeggen dat het begonnen is. Ik schreef ten eerste als klein kind altijd al graag, kleine verhaaltjes, gedichtjes, etc. Dan is dat tijdens mijn pubertijd stilgevallen tot ik op onverklaarbare wijze het plezier in het geschreven en gesproken woord herontdekte. Dat kwam, denk ik, omdat ik in de juiste biotopen terecht kwam, die me dat toelieten. Het begon met de kans om creatief te spreken en daarna ben ik die dingen ook beginnen opschrijven. Na mijn mislukte poging om een boek uit te geven, kwam ik tot het besef dat ik veel meer kleine ideeën had dan één groot. En zo ben ik poëzie beginnen schrijven. In het begin was het meer om gevoelens te verwoorden en minder puur om de poëzie, maar tegenwoordig is dat meer omgekeerd.

 

Bekijk je het schrijven van poëzie nu dan meer als een kunst dan als een manier om dingen te verwerken?

Ja, zeer zeker. Het is een heuse inspanning om een goede verstandhouding tussen kunst en gevoel te bewerkstelligen. En het is zo dat het publiek niet werkelijk in je gevoelens  geïnteresseerd is, maar in de verwoordingen van die gevoelens.

 

Wekt het voorlezen van uw gedichten soms geen nare herinneringen op, vooral als het gaat over liefdesverdriet en -verwerking?

Niet tijdens een show. Ik ben dan te veel met andere dingen bezig, zoals de juiste timing, het volume, kortweg hoe ik dat gedicht het beste overbreng. De pure gevoelens spelen op dat moment geen rol. Het inleven in die gevoelens gebeurt vooraf. Met dat inleven probeer ik mijn gedichten opnieuw te ontleden zodat ik dat niet tijdens de show moet doen. Dus tijdens het voorbereiden heb ik het soms wel even moeilijk.

 

U las uw gedichten voor onder de noemer: “Thomas schrijft zijn gedichten zelf”. Bent u bang dat de mensen niet geloven dat u uw gedichten zelf schrijft?

Neen, daar ben ik niet bang voor. Het is eerder zo dat ik veel geconfronteerd wordt met het feit dat mensen het gek vinden dat je als jonge man poëzie leest, laat staan hem zelf schrijft. Het is zo als ik mensen iets laat lezen dat ze me dan vragen “heb je dat zelf geschreven?” alsof dat zo verwonderlijk is. Waar ik wel bang voor ben, is dat mensen mijn naam eraf halen en die van hen eronder zetten. Wie bewijst dan dat het origineel van mij was?

 

Waarom vinden mensen het gek dat jongeren met poëzie kunnen bezig zijn?

Ik kan natuurlijk niet sluitend becommentariëren waarom dat zo zou zijn. Het is gewoon iets dat ik merk. De vooroordelen die gelden voor  jongeren blijven maar staande, terwijl het tegendeel dagelijks bewezen wordt. Een deel van de onverdraagzaamheid in de maatschappij weerspiegelt zich ook in het feit dat volwassenen en jongeren niet voldoende met elkaar communiceren en in mekaars wereld participeren. Men verschuilt zich achter de stelling ”jeugd van tegenwoordig”, de Grieken zeiden het 2500 jaar geleden al.

 

Is dat niet een beperkt deel van de bevolking waarover u het hebt?

Neen, ik denk dat het een algemeen probleem is. Kijk maar naar VT4’s “jeugd van tegenwoordig” of één’s “16+”. Daarin worden de clichés omtrent jongeren steeds bevestigd.

 

Tijdens de show entertainde u tussen de gedichten door het publiek met enkele grappige, ietwat zenuwachtige opmerkingen. Kan ik daaruit afleiden dat u een kleine voorliefde hebt voor stand-up comedy?

Humor maken en vooraf instuderen is heel erg moeilijk. Ik bedenk vooraf wel een schema waarin ik enkele kernwoorden vermeld die ik zeker wil vertellen aan het publiek. Ik brainstorm ook over een goede samenhang en enkele grappige feiten, maar het meeste komt tijdens de show zelf. Het zenuwachtige helpt me om beter te presteren. Ik heb een groot respect voor stand-up comedy en zou mezelf er ook wel eens aan willen wagen, moesten er mensen mij helpen. Want ik ken helemaal niets van die wereld.

 

Bent u ijverig op zoek naar deze mensen of blijft het voorlopig bij de poëzie?

Ik zie wel wat de toekomst brengt. Ik ben niet naarstig opzoek. Ik ben nog erg actief op vele andere terreinen ook: toneel, politiek, school enzovoort. Maar het is zo dat ik in deze verschillende milieus wel mijn ambitie vermeld.

 

4 december 2007

Duncan Braeckevelt – Digitale televisie

Geplaatst in Technologie door luyckxjoris op de 21 april 2008

Digitale televisie, een niet uit de weg te ruimen nieuwe technologische ontwikkeling, die al vele discussies in gang heeft getrokken. Worden we er beter van en wanneer zijn we onze analoge televisie vergeten? We vragen het aan raadgever media van Geert Bourgeois, Duncan Braeckevelt.

 

Op het congres “media morgen” pleitte Minister Bourgeois voor een evolutie en niet voor een revolutie inzake digitale televisie. Hoe ziet deze evolutie er dan uit?

Er zijn een aantal aspecten aan die evolutie, maar het belangrijkste aan digitale televisie is dat de manier van televisie kijken verandert, dat ervaar je als je spreekt met mensen die via de kabel digitale televisie kijken. De manier van kijken verandert niet van de ene dag op de andere, maar toch zie je van mensen die een digirecorder of een andere decoder met een harde schijf hebben, dat zij niet meer zo vaak lineair kijken als vroeger. Zij gaan eerder dingen opnemen en eventueel nemen ze ook een abonnement op “net gemist” en op die manier kunnen ze tv kijken wanneer zij het willen. In dat kader kan je toch spreken van een evolutie, de manier van televisie kijken is aan het veranderen in Vlaanderen.

 

Zijn er al veel mensen overgestapt naar digitale televisie?

Eind vorig jaar zaten we op 300 000 gezinnen in Vlaanderen en we verwachten tegen het einde van dit jaar aan een 500 000 gezinnen te geraken. Het groeit dus gestaag. Ik denk dat de grote mediabedrijven toch genoeg inspanningen doen en reclame maken voor hun product en dat het aanslaat. Men kan niet verwachten dat we vanaf het eerste jaar aan 100 % procent zitten in Vlaanderen. Maar het groeit en ik denk dat we ongeveer nu aan 15 % marktaandeel zitten. Kenners zeggen dat ongeveer  heel de kritische massa is bereikt en dat de bedrijven hun product niet meer zo fel hoeven te puchen.

 

Denkt u dat in de toekomst iedereen zal kunnen meegenieten van digitale televisie of zal het alleen voor de welgestelde mens blijven?

In de toekomst zal iedereen kunnen genieten van digitale televisie. Daar ben ik van overtuigd. Op welke manier die naar digitale televisie gaan kijken is een andere vraag. Zoals u waarschijnlijk wel weet zijn er 4 manieren om digitaal naar televisie te kijken: via de kabel, de ADSL-lijn, satelliet of de ether. Vandaag zendt de VRT al via de ether hun signalen digitaal uit, dus iedereen zal naar digitale televisie kunnen kijken. De settopbox voor digitale televisie via de ether kost momenteel in Nederland 40 à 45 euro. Dat lijkt me geen grote kost, maar via de kabel zal nog niet iedereen kunnen kijken. Dat zal voor een groot deel afhangen van de kabelmaatschappij en hun prijszetting en aanbod in de toekomst. Hoe aantrekkelijker het aanbod en hoe lager de prijs, hoe meer mensen zullen geneigd zijn om over te stappen naar digitale televisie.

 

Telenet en Interkabel zijn de grootste spelers in digitale televisie. Ze hebben elk hun eigen technologisch systeem. Minister Bourgeois ijvert dan ook om deze 2 systemen samen te brengen in 1 settopbox, maar blijkbaar zijn daar moeilijkheden aan verbonden. Welke moeilijkheden zijn dat?

Het gaat eigenlijk allemaal over welke techniek men gebruikt. Als men in de gesprekken die nu lopen, over een eventuele samenwerking, zou slagen dan kunnen we verwachten dat Indi (de decoder van Interkabel) volop voor het systeem van Telenet zal kiezen en dat ze op termijn naar dezelfde settopbox zullen gaan. Als die gesprekken niet slagen dan is er nog altijd de mogelijkheid dat Indi toch voor een ander technisch platform kiest dan dat van Telenet. De decoder hangt eigenlijk af van het technisch platform, dus als er andere technieken gebruikt worden zal de decoder waarschijnlijk maar 1 techniek aankunnen. Als men zou proberen van 2 of 3 technieken, want ADSL-techniek zit er ook nog bij, allemaal samen in 1 settopbox te steken, zal men er in feite gewoon op uitkomen dat de 3 decoders boven elkaar zitten en er 1 omhulsel rondzit zodat het 1 decoder wordt. Het zal voordelen hebben dat je inderdaad 1 decoder hebt die de 3 technieken aankan, maar dat zal de prijs enorm opdrijven en dan zal de consument i.p.v. een relatief goedkope decoder voor 1 techniek, gedwongen worden om de 2 andere technieken er bij te nemen terwijl hij daar niks mee is.

 

Lopen er momenteel nog gesprekken tussen deze twee aanbieders?

Er zijn gesprekken bezig tussen Telenet en Interkabel. Als overheid zijn wij daar niet bij betrokken. Wij volgen het wel op de voet, maar zijn er geen partner aan tafel. Ik denk ook dat het niet goed zou zijn.

 

Het is dus uit initiatief van beide bedrijven om samen te werken?

Ja, ze zijn op eigen initiatief gaan spreken of er geen vorm van samenwerking mogelijk is. Natuurlijk zijn wij vragende partij, dat heeft de minister ook al een aantal keren aangekondigd. Het is niet zozeer voor een samenwerking dat we pleiten, dat maakt voor ons niet uit, maar we zijn vragende partij dat elke Vlaming vandaag kan genieten van de nieuwe interactieve diensten waaronder ook de VRT vandaag zwaar in investeert. Wij, de Vlaamse overheid, hebben hier ook geld voor uitgetrokken in het kader van de beheersovereenkomst en  de VRT een opdracht gegeven. Maar tweederde  van de Vlamingen kan momenteel genieten van “net gemist” en eenderde niet. Wij zijn er voorstander van dat daar snel een oplossing voor komt. Als dat met samenwerking tussen de twee bedrijven is of zonder, blijft voor ons hetzelfde.

 

De consument wordt soms niet volledig geïnformeerd wat betreft de ontvangst van de aanbieders in de verschillende regio’s. Het gebeurt dat de consument naar huis gaat met een decoder waar hij achteraf blijkbaar niets mee kan doen. Hoe komt het dat hierover zo veel onduidelijk is tegenover de consument?

Ja, we hebben die verhalen ook al gehoord. We hebben zelf wel nog geen berichten gehad van consumenten die met hun verhaal naar hier komen, maar het zijn inderdaad verhalen die circuleren. In de eerste plaats is het een taak van de operatoren zelf om de consument juist in te lichten. Telenet, Interkabel en Belgacom zouden dan tegen de consument moeten zeggen in welke gebieden ze opereren en de consument dan duidelijk maken bij welke operator ze dan een decoder moet aanschaffen. Ook de winkeliers waar de decoders staan uitgesteld moeten worden ingelicht om de juist informatie te kunnen geven?

 

Europa heeft een invloed op de samenwerking tussen de verschillende operatoren. Maar waarom onderneemt Europa momenteel niets?

Digitale televisie is nog altijd een nieuwe techniek in Europa. Ik denk dat Europa momenteel alle kansen wil geven aan die techniek om zich te vestigen in de markt. Hoe meer maatregelen je bij een begin van een nieuwe techniek oplegt, hoe moeilijker het wordt natuurlijk voor die techniek om te blijven groeien in de maatschappij. Europa zal dus eerst willen kijken hoe digitale televisie doorbreekt en dan bekijken wat de overheersende standaard zal worden.

 

8 mei 2007

Koen ’T Sijen – Verlaging schuldenlast

Geplaatst in Politiek door luyckxjoris op de 21 april 2008

Alsmaar meer mensen kunnen hun schulden niet meer betalen. Vorig jaar telde de Kredietcentrale  337.755  wanbetalers die samen voor  1,76 miljard euro schulden hadden openstaan. De helft van dat bedrag is te wijten aan kredietopeningen, waarvan drie kwart niet-bancaire kredieten zijn, kredietkaarten van  bijvoorbeeld warenhuizen en postorderbedrijven.

De links-liberale partij Spirit wil dit probleem aanpakken. Daarom is er onder andere een 20-puntenplan uitgewerkt door Spirit-kamerfractieleider Koen ’T Sijen. We overlopen met hem de belangrijkste punten.

 

Meneer ’T Sijen, in uw 20-puntenplan pleit u om de niet-bancaire kredieten te verbieden. Waarom zijn deze kredieten een groter gevaar voor de consument dan kredieten van een bankinstelling?

In de eerste plaats zijn kredietopeningen bijzonder duur. De intresten die daarvoor moeten worden betaald, liggen hoog, die lopen op tot 17%. Als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld op een zichtrekening even onder nul gaan of een lening op afbetaling bij de bank aangaan, zijn niet-bancaire kredieten veel minder goedkoop. Ten tweede hebben kredietopeningen geen doelstelling, de klanten blijven eigenlijk enkel op krediet leven. Als men een bepaald krediet heeft afbetaald, een som die men heeft opgenomen, kan men die onmiddellijk terug opnemen. En in de aflossing zijn er geen regels. Men lost af wat men eigenlijk kan en in veel gevallen zal de consument alleen maar interest aflossen en geen kapitaal.

 

Achter de warenhuizen zitten toch ook banken die deze kredieten regelen?

Dat zijn geen banken, dat zijn kredietverstrekkers zoals bv: Cofidis. De grootwarenhuizen treden idd op als een tussenpersoon en ze zijn ook wel onderworpen aan de wet op het consumentenkrediet. Maar de regels van zo’n kredietopening zijn veel vrijer.

 

Beseffen de klanten niet dat ze bij warenhuizen een hoger kredietpercentage moeten betalen dan bij een gewone bankinstelling?

Nee, er zijn een aantal gevaren mee verbonden. Zo’n kredieten biedt men natuurlijk aan met heel wat promotieacties en men krijgt als klant het gevoel dat je een goede zaak doet. Ik ben ook undercover geweest in een aantal winkels, o.a. in Carrefour en Krëfel. Daar zegt men dat het via hen goedkoper is dan bij banken, omdat er zogezegd geen dossierkosten zijn. Dat klopt, maar er is wel die hogere intrest. De klant als dusdanig krijgt het gevoel dat hij een goede zaak doet, maar hij beseft niet dat als hij gewoon een verkoop of een lening aangaat op afbetaling bij de bank, hij veel goedkoper af is. Grotenwarenhuizen gebruiken die kredieten in eerste instantie om klanten aan zich te binden en zij malen er niet om dat er niet wordt afbetaald, want het zijn de kredietinstellingen achter de warenhuizen die de zaak moeten regelen. Zij zullen wel een deurwaarder sturen om de verschuldigde bedragen te gaan innen.

 

Ook zegt u dat het beleid hieromtrent te versnipperd is en daarom streeft u naar één centraal registratiesysteem. Wat gaat dit systeem dan concreet inhouden en in hoeverre gaat dit tot een beter resultaat leiden?

Wel, als we overmatige schuldenlast op een efficiënte manier willen bestrijden, dan moeten we ook zien van: hoe wordt die schuldenlast gevormd, van waar komt die, zijn dat energieschulden, zijn dat louter financiele schulden, huurschulden en dergelijke meer. We moeten ook trachten een beleid uit te stippelen dat daar echt kan op ingrijpen. We stellen vast dat er zowel in Wallonië, Brussel als in Vlaanderen op verschillende manieren wordt omgegaan met overmatige schuldenlasten en op verschillende manieren wordt geregistreerd. We hebben daar geen eenduidige cijfers rond. Zodanig dat het ook heel moeilijk is om er een eenduidig beleid rond te maken.

 

Staat Vlaanderen achter tegenover Brussel en Wallonië in het beleid omtrent schuldenlast?

Vlaanderen staat niet echt achter. Maar het is wel zo dat Wallonië en Brussel veel meer middelen steekt in schuldbemiddelingsdiensten en deze ondersteunt. Onze OCMW’s in Vlaanderen krijgen geen rechtstreekse subsidie van de Vlaamse overheid om aan schuldbemiddeling te doen. Ze krijgen wel een kleine subsidie voor het gas- en elektriciteitsfonds. Maar dat is onvoldoende. De schuldbemiddeling die op dit moment gebeurt vanuit de OCMW’s en vanuit de CAW’s (centrum algemeen welzijnswerk), is niet genoeg omdat de schuldbemiddelingsdiensten onderbemand zijn. Bovendien heeft Vlaanderen nog geen enkel systeem rond sociale kredieten. In Wallonië is dat volledig ontwikkelt, dat wil zeggen dat je een krediet aan een zeer lage intrest kan verstrekken aan een aantal mensen.

 

Hebben ze in Wallonië het probleem eerder opgemerkt omtrent schuldenlast?

Ik denk dat ze er harder mee geconfronteerd worden. Er is daar meer armoede. Wallonië heeft gewoon sneller op de bal gespeeld en een sociaal beleid ontwikkelt. Je moet begrijpen dat er verschillende soorten schulden zijn, overlevingsschuld is daar een van en wil zeggen dat men schulden gaat maken om hoogstnoodzakelijke middelen aan te kopen zoals voeding en kleding. Natuurlijk als zo’n systeem van kredietopeningen vrij spel krijgt op de markt dan detecteer je dat ook niet. Want op het moment dat je geen lening niet meer krijgt bij de banken omdat je geregistreerd bent in de kredietcentrale of omdat je de drempel van het OCMW niet wil overstijgen, ga je in een supermarkt zo’n kredietopening aan, die je redelijk vlot krijgt en niemand weet van iets. Maar de schuldenberg is dan wel aan het toenemen.

 

U wil dat er iets gedaan wordt aan die toenemende armoede. Daarom wil u de minimumuitkeringen verhogen. Zijn de nodige middelen daarvoor beschikbaar en is daarmee de oorzaak opgelost?

Ik denk dat we de nodige middelen beschikbaar moeten maken. Dat is natuurlijk heel makkelijk gezegd, maar het is zo dat je nu ook een aantal middelen hebt die in sociaal beleid worden geïnvesteerd, maar niet goed genoeg. Als ik bijvoorbeeld spreek over het verhogen van het leefloon, dan is dat vooral omdat het leefloon al schommelt en onder de armoederisicogrens zit van ongeveer, voor een alleenstaande, 770 euro per maand. De OCMW’s geven verschillende toemaatjes, ze geven subsidies voor nutsvoorzieningen zoals: water, elektriciteit en gas. Zij voorzien bijvoorbeeld ook gratis huisvuilzakken. De federale overheid heeft de laatste jaren eigenlijk hetzelfde soort beleid gevoerd. Zij geven stookoliecheques omdat de stookolieprijs omhoog gaat, zij geven een schoolpremie, enzovoort. Dat zijn zaken die op heel korte termijn gebeuren, ik heb liever dat we al die cheques en premies afschaffen of vereenvoudigen en substantieel het leefloon verhogen zodanig dat de mensen ook over een inkomen beschikken dat menswaardig is en boven de armoederisicogrens uitsteekt. Zodat ze ook op hun eigen manier hun leven kunnen organiseren en niet voor elk stuk dat ze nodig hebben in hun leven iets krijgen. Al is het om te huren, voor verwarming of afval te recycleren. Dat is cadeaupolitiek en erg paternalistisch. En dus pleit ik inderdaad voor een verhoging van het leefloon.

 

Zijn het dan vooral de arme mensen die kredieten aangaan omdat ze een aankoop niet in één keer kunnen betalen?

Ja en nee, we zien een verschuiving, wat betreft die overlevingsschuld. Het zijn inderdaad vooral nog arme mensen die kredieten aangaan, maar dat is al een stuk terug aan het afnemen, omdat zij voor het eerst geconfronteerd worden met die schuldenlast, komen zij bij het OCMW terecht, krijgen ze budgetbegeleiding of budgetbeheer, enzovoort. We zien nu ook een onderscheiding in de middengroep, de mensen die werken en de mensen aan de onderkant van die middengroep die meer en meer op krediet kopen. Je kan perfect in het systeem van de kredietopeningen iop 1 dag tijd 5 keer 1000 euro op krediet gaan bij een elektrowinkel, een speelgoedwinkel, supermarkt, enzovoort. En voor je het weet heb je meer krediet openstaan dan je maandelijks netto verdient.

 

Daarom wil u de niet-bancaire kredieten afschaffen?

Ja.

 

Wat vindt u van het voorstel van Open VLD om een keurmerk in te lassen voor alle vormen van consumentenkrediet i.p.v. ze te verbieden?

Dat is natuurlijk typisch liberaal. Zij leggen heel veel verantwoordelijkheid bij de consument. Ze vinden dat de consument zelf maar moet weten wat hij doet. Terwijl ik er juist van uitga dat je tegenover bepaalde praktijken die er zijn de consument moet durven beschermen. Ik treed niet betuttelend op voor de consument, maar als die kredieten bestaan, moeten we ze ook heel streng reglementeren zodanig dat de consumenten er geen slachtoffer van worden. Als we de kredieten niet afschaffen dan zouden we minstens de intrestpercentages omlaag moeten krijgen. Ik stel voor van 14% tot 12%. Omdat je dan op het niveau zit van andere kredietopeningen, bijvoorbeeld via de banken. Niet-bancaire kredietopeningen zijn maar een heel klein segment van het aanbod aan kredietenopeningen en van de vormen van kredieten die je kan opnemen. Ik ben niet tegen kredieten als dusdanig, maar ik ben voor een goede reglementering rond kredieten zodat de mensen er geen slachtoffer van worden. Een keurmerk geven zal volgens mij nog altijd slachtoffers blijven maken. Ik denk dat het aanlokkelijk blijft om in zo’n krediet te stappen vooraleer de mensen weten of ze een keurmerk hebben of niet. De VLD mikt op de hoger opgeleiden die zo’n keurmerk herkennen en die weten wat dat betekent. Maar de grote groep mensen hebben daar geen boodschap aan.

 

18 april 2007

Axl Peleman – Theatertour: “Liekes”

Geplaatst in Cultuur door luyckxjoris op de 11 april 2008

De meeste mensen kennen hem van tv, maar op muzikaal vlak is hij de alom gekende bassist van groepen als: Ashbury Faith, Angelico, The Paranoiacs en Camden. Het zingen gebeurde steeds in het Engels, maar daar brengt hij nu verandering in door in ‘zijn’ taal, het Antwerps, verhalen en liedjes te brengen in zijn nieuwe theatertournee “Liekes”. 

 

Axl Peleman, op 3 februari 2007 gaat u van start met uw nieuwe theatertournee “Liekes” in Jette. Daarin vertelt en zingt u over de liefde, uw kindertijd, leefomgeving enzovoort. Kortom over alles wat u lief is en was. Hoe bent u op dat idee gekomen om uzelf zo open en dus ook zo kwetsbaar op te stellen voor het publiek?

Ik weet niet of dat kwetsbaar is, ik weet niet of dat meer open is zoals je in het Engels zingt. Het enige verschil is dat als je in het Antwerps zingt, dan spreekt u dat veel sneller aan. Alsof dat precies veel persoonlijker lijkt, maar dat is het niet. Daarmee wil ik zeggen, daarvoor schreef ik ook teksten over alles dat me lief was, over mijn vrouw, … Maar nu ik daarover in het Antwerps ga zingen, is dat precies veel persoonlijker.

 

Is dit geen rustiger concept dan dat we anders gewoon zijn van u?

Ja, het is een rustiger concept, maar als ik nu een plaat in het Engels had gemaakt, dan had die waarschijnlijk even rustig geweest. Op een gegeven moment moest ik een nieuw nummer schrijven voor een nieuwe plaat. Toen zat ik daar (wijst naar een hoek in zijn werkkamer), het muziekje had ik al en ik moest er dan nog een tekst op schrijven en dan zit je dus echt te prutsen aan teksten. En dan zeg je tegen jezelf: “nee, dat kan ik niet gebruiken, want dat heb ik al op de vorige plaat gebruikt of vijf platen geleden heb ik die zin ook al gebruikt.” Toen dacht ik: “het zou toch is leuk zijn om een nummer te zingen of te spelen zoals je het denkt.”

 

En is dat dan de enige reden geweest dat uw nieuwe plaat in het Nederlands is geschreven?

Nee, er is nog een reden. Als ik op theatertour ga, spreek ik nogal dikwijls tussen de nummers door aan de hand van anekdotes. Het is heel gek om in een zaal te komen en 500 man voor u te hebben zitten en dan te zeggen: “het volgende nummer gaat over een ex-lief van mij.” Waarna je dan zegt: “one – two – three – four” en in het engels begint te zingen. Terwijl al die mensen opgegroeid zijn in het Nederlands of een dialectvorm van het Nederlands, zoals ik. We verstaan elkaar allemaal en ineens gaan wij in het engels zingen.

 

Is het alleen in het Antwerpse dat je optreedt?

Nee, over heel Vlaanderen.

 

En verstaan de West-Vlamingen bijvoorbeeld ook uw teksten en anekdotes?

Ja, ik denk dat wel. Ze zullen er waarschijnlijk niet alles van verstaan, maar dat is misschien ook niet nodig. Als je in het Engels zingt, verstaan de mensen ook niet alles. Maar omdat het in het Antwerps is zullen ze meer geneigd zijn om beter te luisteren dan naar het Engels, dat ze al zoveel horen.

 

Hebt u altijd al een liefde gehad voor kleinkunst, als ik het zo mag noemen?

Niet altijd. In het begin van de jaren 90 moest ik niet veel van kleinkunst hebben, maar ondertussen sta je toch al lang op een podium en begin je ook iedereen een beetje te kennen. Zo leerde ik Jan De Wilde, Kris De Bruyne en mensen van Kadril kennen. Waarvan je dan beseft dat dat zeer goede muzikanten zijn waar je veel van leert. In dat opzicht ben ik geïnteresseerd geraakt in hun muziek.

 

Met wie tourt u momenteel rond en hoe ziet de bezetting eruit?

Ik speel samen met Mark De Bouck, een bekend sessietoetsenist/cellist/saxofonist/accordeonist. Wigbert Van Lierde speelt gitaar, contrabas, ukelele, mandoline en mondharmonica. Ron Reuman doet de percussie en ik speel baritongitaar, ukelele, akoestische gitaar, basgitaar.

 

Tijdens het optreden wordt er gebruik gemaakt van animaties en projecties, wat moeten we ons daarbij voorstellen?

De projecties zijn “gefilmde foto’s”.

 

Van uzelf?

Nee, mezelf projecteren op een scherm, nene (lacht). Het zijn sfeerbeelden die tonen waarover een nummer gaat.

 

Is dat een eenmalig project?

Dat hangt er vanaf. Ik heb voor deze plaat zelf geïnvesteerd. Ik wou niet met een platenfirma werken. Wat niet gemakkelijk is natuurlijk. Dan moet je financieel serieus wat ophoesten. Maar ik heb dat samen gedaan met Ron Reuman, de drummer. We hebben alles samen betaald. Er waren platenfirma’s geïnteresseerd, , maar we hebben het toch zelf gedaan. We hebben gewoon een verdelingsfirma gezocht en zelf de platen gemaakt.

 

Hoe verliep de samenwerking met Frank Vander Linden die de plaat geproduced heeft?

Fantastisch, ik heb al met veel producers samengewerkt: met Amerikanen, Engelsen en zelfs Zweden, maar ik heb nog nooit zo’n goede producer gehad als Frank. Vooral omdat hij een van mijn beste vrienden is. Normaal gezien neem je een producer die je helemaal niet kent, maar daar moet je dan ineens 2 maanden mee gaan samenwerken en dat kan klikken of niet klikken. Frank is al heel lang een goede vriend van mij, dus die samenwerking ging perfect.

 

 

8 februari 2007